Begroting 2026 en meerjarenraming 2027-2030

Begroting 2026

De Universiteit Twente hanteert een intern verdeelmodel voor de allocatie van de beschikbare Rijksbijdrage en collegegelden aan onderwijs en onderzoek. Dit model sluit waar mogelijk aan bij het financieringsmodel van het ministerie en ondersteunt een transparante en consistente verdeling van middelen binnen de universiteit. De laatste jaren is ons verdeelmodel op diverse fronten aangepast. Zo is een nieuw verdeelmodel geïmplementeerd voor de masterbudgetten en is er een nieuwe verdeling voor onderzoeksmiddelen vastgesteld volgens het Research Allocation Model (RAM). De uitkomsten daarvan zijn inmiddels verwerkt in de begrotingen 2026 en verder. De werking ervan wordt periodiek geëvalueerd. Ondertussen blijven we alert op nieuwe ontwikkelingen die aanleiding kunnen zijn tot aanpassingen in het verdeelmodel.

De planning- en controlcyclus vervult een centrale rol in de organisatie bij het uiteenzetten van plannen, het stellen van kaders en het monitoren, bijsturen en verantwoorden op de strategische, tactische en financiële doelstellingen gedurende het jaar. De dynamiek en complexiteit van de organisatie vragen voortdurend aandacht voor de actualisering en doorontwikkeling van de planning- en controlcyclus om nog beter transparantie, verantwoording en financiële beheersing te borgen. 

Om financiële stabiliteit en voorspelbaarheid te borgen wordt gewerkt met een meerjarige begrotingshorizon van vijf jaar. Daarbij is het begrotingsjaar taakstellend en zijn de ramingen voor de jaren erna richtinggevend. De eventuele inzet van reserves vindt plaats binnen de kaders van het geldende reservebeleid en vereist goedkeuring van zowel het College van Bestuur als de Raad van Toezicht. Daarnaast heeft de Universiteitsraad instemmingsrecht op besluiten over de inzet van reserves.

Budgetten voor bedrijfsvoering en huisvesting worden vastgesteld op basis van interne verdeelsleutels en rekenregels, die periodiek worden getoetst op doelmatigheid en marktconformiteit. In het kader van een solide financiële positie worden voorgenomen materiële uitgaven beoordeeld op hun impact op de financiële kengetallen, waaronder solvabiliteit, liquiditeit, het operationele resultaat en de kasstromen.

Na enkele jaren van negatieve resultaten is in 2025 een positief resultaat behaald. Daarmee zijn de financiële reserves aangevuld en de ratio’s verbeterd. In 2026 besteden we aandacht aan de inzet van investeringen in lijn met het Instellingsplan, waarin de strategische lijnen voor de komende 6 jaar uitgezet worden. Er zijn diverse redenen die scherp aan de wind zeilen noodzakelijk houden, zoals de verwachting van teruglopende inkomsten, de onzekerheden vanwege het (geo-)politieke landschap en kosten en inkomsten die specifiek of geoormerkt zijn, met verantwoordingsciteria tot gevolg. We anticiperen op het in de meerjarenraming gepresenteerde tekort, dat zich vanaf 2028 voordoet, met het treffen van aanvullende maatregelen om het resultaat terug te brengen naar nihil of een surplus.

Actuele ontwikkelingen

De in oktober 2025 opgestelde, goedgekeurde begroting 2026 en de meerjarenraming zijn gericht op het nastreven van gezonde financiële ratio’s in financieel uitdagende tijden. De studentenaantallen lopen terug met lagere Rijksbijdragen tot gevolg. De UT kent een technisch profiel en de kans bestaat dat minder studenten gemotiveerd zijn voor N/T- en N/G-profiel. Politieke ontwikkelingen hebben geleid tot bezuinigingen, die onder invloed van nieuwe politieke ontwikkelingen mogelijk teruggedraaid worden. Het programma Versterkingsplan Microchip Tech-talent (Beethoven) biedt mogelijkheden het aantal studenten, en daarmee de inkomsten, te laten groeien. Leven Lang Ontwikkelen geeft eveneens mogelijkheden tot een portfolioverbreding die tegenwicht kan bieden aan de lagere inkomsten uit teruglopende studentenaantallen. De universiteit stelt zich ten doel om met in acht name van deze beïnvloedbare en minder of niet beïnvloedbare ontwikkelingen binnen de financiële kaders te blijven. Daarvoor is een goede sturing op het gebruik van de beschikbare middelen en efficiënte control belangrijk. 

Onder andere in de Kaderbrief, die jaarlijks voor de zomer verschijnt en in de begroting, die aan het einde van het jaar goedgekeurd wordt, wordt aan de hand van scenario's op basis van risico's en kansen aandacht geschonken aan eventuele impact van factoren die de continuïteit kunnen beïnvloeden, zoals bovengenoemde. Deze scenario's nemen eenheden in acht bij het opstellen van hun eigen begroting. Tussen het verschijnen van de Kaderbrief en het opstellen van de begroting worden de gegevens geactualiseerd. De eenheidsbegrotingen worden opgesteld met de meest actuele gegevens. Afwijkingen gedurende het jaar worden gerapporteerd via de managementrapportages als onderdeel van de P&C-cyclus.

Ombuigingsopgave

Om financieel gezond te blijven, zijn ook de komende jaren diverse inspanningen nodig. We blijven daarom inzetten op:

  • Continue kostenbeheersing, door kritisch te blijven op uitbreiding en vervanging van personeel en de inzet van studentassistenten, op externe inhuur en door afgewogen gebruik te maken van reizen op eerste geldstroommiddelen. 

  • Middellange termijnmaatregelen, gericht op het vergroten van de wendbaarheid om gevolgen van grote financiële veranderingen op te kunnen vangen. In 2026 is er vanuit Focus in Support, Harmonizing Faculties en Culture & Behaviour aandacht voor de implementatie van diverse uitkomsten van de clusters die zich, samengevat, bezig hebben gehouden met future-proof education, future-proof research and innovation en efficiënte en effectieve ondersteuningsprocessen. De opbrengsten hiervan moeten ertoe leiden dat eenheden in de toekomst nog beter binnen de kaders van hun begroting kunnen blijven sturen.

  • Continue verbetering van onze organisatie. We stimuleren het werken vanuit de UT Community-gedachte, willen een lerende organisatie zijn en streven het PDCA-gedachtengoed na. Er wordt gewerkt aan Harmonizing Faculties, Focus in Support en Culture & Behaviour vanuit het Transition Support Team. Waar nodig zetten we organisatiewijzigingen in om ons doel te bereiken om als UT relevant en toekomstbestendig te blijven.

Begroting 2026-2030

In 2025 is, evenals in voorgaand jaar, veel aandacht besteed aan het terugdringen van tekorten die de UT de voorgaande jaren gepresenteerd heeft. Dit was noodzakelijk om kosten en baten beter in evenwicht te brengen. Te meer omdat voorzien wordt dat de baten verder teruglopen en we te maken krijgen met oplopende kosten, onder andere door toenemende inflatie.

In de Kaderbrief zijn de eenheden bewust gemaakt van het feit dat de (financiële) begrotingen als weerslag van de (meerjarige) doelstellingen in de jaarplannen van de eenheid binnen de daarvoor gestelde kaders moeten worden opgesteld. De inzet van ‘acute maatregelen’ heeft geleid tot bezuinigingen op personeel en out-of-pocketkosten en een groter algemeen kostenbewustzijn. Daar bovenop bleken bij enkele eenheden reorganisaties noodzakelijk om een structureel sluitende financiële huishouding te realiseren. Een en ander heeft bijgedragen aan de zwarte cijfers van 2025. Incidentele meevallers en buitengewone posten waren echter ook een oorzaak en in een context van teruglopende inkomsten houden we daarom de koers van 'scherp aan de wind zeilen' vast. Daarom is ook in de Kaderbrief 2027 extra aandacht gevraagd voor het opstellen van een realistische, sluitende begroting. Daarnaast zetten we blijvend in op monitoring en verantwoording, onder andere door instrumenten in de P&C-cyclus die we continu verbeteren. Op onderwerpen waarvoor in 2024 de acute maatregelen in het leven zijn geroepen, blijven we sturen met continue kostenbeheersing. 

De nadruk in onze sturing ligt op efficiënte en doelmatige inzet van middelen. Enerzijds houden rekening met gezonde ratio's en een gezonde reserve, anderzijds zijn we ons bewust van de noodzaak tot investeren om actueel te blijven en ook in de toekomst onze plannen te kunnen realiseren. In de jaren 2026 en 2027 verwachten we positieve resultaten te kunnen realiseren. De raming laat vanaf 2028 nu nog negatieve resultaten zien, waarop in de komende jaren een antwoord moet worden gevonden.

Staat van baten en lasten (M€) geconsolideerd

2025

2026*)

2027*)

2028*)

2029*)

2030*)

Rijksbijdrage

321,4

315,3

311,4

308,1

305,0

305,1

College-, cursus en examengelden

40,2

39,2

39,1

38,2

37,7

37,3

Baten werk in opdracht van derden

131,9

132,2

130,8

130,4

129,4

127,8

Overige baten

34,2

33,4

32,0

31,5

31,6

31,9

Totaal baten

527,7

520,1

513,4

508,2

503,7

502,0

Personeelslasten

372,5

375,0

370,7

369,5

366,6

366,5

Afschrijvingen

29,0

25,6

28,2

28,4

28,5

28,3

Huisvestingslasten

28,5

36,9

36,7

35,0

35,0

35,1

Overige lasten

74,0

78,2

76,8

76,8

76,0

76,0

Totaal lasten

504,0

515,7

512,4

509,7

506,2

506,0

Saldo baten en lasten

23,7

4,4

1,0

-1,5

-2,5

-4,0

Saldo baten en lasten financiële bedrijfsvoering

2,1

0,7

1,2

0,9

0,8

0,7

Saldo buitengewone baten en lasten

-

-

-

-

-

-

Resultaat uit gewone bedrijfsvoering

25,8

5,0

2,1

-0,6

-1,7

-3,3

Resultaat deelnemingen

0,9

-

-

-

-

-

Totaal resultaat

26,7

5,0

2,1

-0,6

-1,7

-3,3

  • *conform begroting/meerjarenraming 2026-2030

Toelichting

De financiële UT-begroting, die hoort bij de jaarplannen van de eenheden van de UT, is op basis van de Kaderbrief 2026-2030 door de eenheden vanuit een bottom-up benadering opgesteld. De plannen zijn financieel vertaald en opgenomen in de eenheidsbegroting.

Baten

Het totale beschikbare budget voor de UT bestaat uit Rijksbijdrage voor onderwijs en onderzoek, college-, cursus-, les- en examengelden, baten werk voor derden en overige baten. De totale baten in de begroting 2026 bedragen M€ 520,1. De begrote baten bestaan voor 68% uit Rijksbijdragen en college- cursus-, les- en examengelden (eerste geldstroom) en 26% baten werk in opdracht van derden (voornamelijk projecten). Daar staat M€ 515,7 aan lasten uit gewone bedrijfsvoering tegenover, waarvan 73% personeelslasten, 15% aan overige lasten en 10% aan huisvestingslasten wordt besteed. In acht genomen dat we rekening houden met een saldo financiële baten en lasten van M€ 0,7, verwachten we in de begroting van 2026 een positief resultaat van M€ 5. Gezien het resultaat van 2025 wordt deze verwachting nadrukkelijk getoetst in de managementrapportages in 2026, zodat eventuele afwijkingen tijdig in beeld zijn en er waar nodig actie op ondernomen kan worden.

In meerjarig perspectief verwachten we dat onze totale baten teruglopen met 4,9%. Van het Rijk ontvangen we als gevolg van de bezuinigingen die in 2024 aangekondigd zijn, vanaf 2026 geen middelen meer voor Official Development Assistence ODA. Daarnaast lopen onze studentenaantallen terug met lagere Rijksbijdragen en collegegelden tot gevolg.

Rijksbijdrage

De Rijksbijdrage die de universiteit ontvangt, bestaat uit bijdragen voor onderwijs en onderzoek. Voor de derde kerntaak, valorisatie, ontvangt de universiteit geen rijksmiddelen. De begrote Rijksbijdrage is tot stand gekomen aan de hand van de vaststelling en de prognose van het aantal studenten, inschrijvingen en graden (diploma's), PhD's en EngD's en de bedragen die de overheid communiceert ten aanzien van onderwijs en onderzoek in de Rijksbijdragebrieven. Verder is rekening gehouden met een toenemende Rijksbijdrage vanwege compensatie voor loon- en prijsstijgingen en de bezuinigingen die de regering op Prinsjesdag 2024 heeft aangekondigd. Dit geldt bijvoorbeeld voor de genoemde bezuiniging op ontwikkelingssamenwerking met ingang van 2026, waarvan de baten in voorgaande jaren rechtstreeks ten deel vielen aan ITC. Zij hebben geanticipeerd op deze bezuiniging met een reorganisatie.

Collegegelden

Het effect van de daling in collegegeld betalende studenten wordt deels opgevangen door de indexatie van het collegegeldtarief en een hoger instellingstarief voor masteropleidingen. Dat geeft het beeld van een relatief stabiele collegegeldopbrengst.

Baten werk in opdracht van derden

De afgelopen jaren hebben we ingezet op groei van ons onderzoeksportfolio. Dit heeft zijn vruchten afgeworpen en daarmee zijn onze baten werk in opdracht van derden sinds 2021 met 48% toegenomen. De komende jaren zetten we in op stabiliteit in deze inkomsten, waarbij we oog houden voor een (financieel) gezonde fundingmix, een goede dekkingsbijdrage uit projecten en een slimme inzet van deze middelen. Deze inkomsten komen uit nationale onderzoeksprogramma’s, internationale (EU-) onderzoeksprogramma’s en van onderzoeksprojecten met andere (markt-)partijen, zoals collectebusfondsen, contractonderwijs, onderzoeksprojecten voor de industrie.

Overige baten

Overige baten bestaan onder andere uit opbrengsten van catering en verhuur van vastgoed. We verwachten de komende jaren een stabiel bedrag aan overige inkomsten. In 2024 en 2025 heeft dit bedrag iets hoger gelegen als gevolg van inkomsten Horizon Europe en deze verwachting is voor 2026 ook verwerkt in de begroting. Vanwege het onzekere karakter is dit nog niet meegenomen in de jaren 2027 en verder. Daar tegenover zijn ook geen lasten verwerkt.

Lasten

Het beschikbare budget van de UT besteden we grotendeels aan personeelslasten (ongeveer 72%). Daarnaast geven we onze middelen uit aan huisvestingslasten (ongeveer 10%, in lijn met onze streefratio van 12%) en overige lasten en hebben we rekening te houden met een bedrag aan afschrijvingen op inventaris. De begroting weerspiegelt de zuinigheid die de laatste twee jaar aan de dag is gelegd door lagere personeelslasten en overige instellingslasten. In die periode is een bezuiniging van zo’n 10% op ondersteunend personeel gerealiseerd en hebben bij enkele eenheden reorganisaties plaatsgevonden om de personeelslasten in balans te krijgen met de inkomsten.

Diverse oorzaken hebben ertoe geleid, dat de totale lasten in 2025 lager uitvielen dan begroot. Ten opzichte van 2025 is in 2026 een toename van de lasten begroot, die afgestemd is op realistische jaarplannen. In meerjarig perspectief verwachten we dat onze totale lasten teruglopen, omdat ze meebewegen met de dalende inkomsten. Die is voornamelijk terug te zien in de personeelslasten, omdat de formatie af zal nemen tegenover dalende studentenaantallen. De dalende lasten impliceren een bezuiniging van een omvang die realistisch en behapbaar worden geacht.

Personeelslasten

De komende jaren zien we onze personeelslasten teruglopen naar M€ 366,5 in 2030. We passen ons uitgavenpatroon aan waar nodig, maar zijn ons er ook van bewust dat er limieten gelden ten aanzien van bezuinigingen op personeelslasten. De doelstelling is deze niet verder dan nodig is mee te laten bewegen met de dalende inkomsten. Toekomstige loonstijgingen zijn nog niet in de personeelslasten verwerkt, maar dit geldt eveneens voor de eventuele compensatie in de baten. In geval van een lagere compensatie dan de loonstijging lopen we hier een risico.

Bezuinigingen op personeelslasten krijgen vorm door kritisch te zijn op vervangings- en uitbreidingsvacatures, verlenging van tijdelijke arbeidsovereenkomsten en door zuinig te zijn met inhuur van personeel. We blijven de uitgaven aan personeelslasten monitoren onder de noemer ‘continue kostenbeheersing’.

Afschrijvingslasten

De afschrijvingslasten bestaan uit afschrijvingen op inventaris en afschrijvingen op gebouwen. De afschrijvingslasten op gebouwen nemen, na een dip in 2026, de komende jaren toe, bijvoorbeeld door ingebruikname van de CUBE. Dit is het effect van de investeringen uit het Lange Termijn Strategisch Huisvestingsplan (LTSH).

Huisvestingslasten

In 2025 zijn de huisvestingslasten lager geweest dan voorzien als gevolg van minder uitgaven aan onderhoud, schoonmaak en leegstand. Een deel daarvan wordt naar verwachting besteed in 2026. De huisvestingslasten lopen daardoor in 2026 op naar een totaal van M€ 36,9. Vanaf 2028 zullen de huisvestingslasten teruglopen naar een stabiel niveau van M€ 35. We blijven met onze huisvestingsplanning op een ratio van ongeveer 10% en onder onze streefwaarde van maximaal 12%.

Overige lasten

Onder de overige instellingslasten is een verscheidenheid aan kosten begrepen, zoals kosten van uitbesteed werk, materiaalkosten en lidmaatschappen. Bezuinigingsmaatregelen onder de noemer van acute maatregelen, waaronder minder reizen, minder kosten voor lunches en een algemeen verhoogd kostenbewustzijn hebben ertoe geleid dat deze teruggebracht zijn van M€ 90,6 in 2023 naar M€ 74,0 in 2025. Daarmee is verder bezuinigd op overige lasten dan waar we in de begroting op ingezet hebben. We nemen ons voor om deze trend van verhoogd kostenbewustzijn voort te zetten. We blijven de uitgaven aan overige lasten eveneens monitoren onder de noemer ‘continue kostenbeheersing’. Dat houdt in dat er meer nadruk op sturing op deze kosten ligt en minder op bezuiniging. De begrote overige lasten liggen daardoor vanaf 2026 wat hoger.

Baten en lasten financiële bedrijfsvoering

We verwachten de komende jaren een licht positief saldo financiële baten en lasten. Bestaande leningen zijn gehedged tot het einde van de looptijd, die de planperiode overschrijdt.

Ontwikkeling balans 2026-2030

Op basis van de resultaatbegroting 2026-2030, het Lange Termijn Strategische Huisvestingsplan (LTSH) en het aflossingsschema van de lange termijn financiering, wordt voor de jaren 2026-2030 onderstaande balansontwikkeling verwacht:

Balans per 31 december (M€) geconsolideerd

2025

2026*)

2027*)

2028*)

2029*)

2030*)

Immateriële vaste activa

-

-

-

-

-

-

Materiële vaste activa

296,3

317,4

336,0

337,3

336,4

336,9

Financiële vaste activa

12,8

12,3

12,8

13,2

13,7

14,1

Totaal vaste activa

309,1

329,8

348,8

350,5

350,1

351,1

Voorraden

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Vorderingen

59,0

56,5

56,5

56,5

56,5

56,5

Kortlopende effecten

-

-

-

-

-

-

Liquide middelen

195,1

132,3

101,0

86,4

89,6

91,2

Totaal vlottende activa

254,5

189,2

157,9

143,3

146,5

148,0

Totaal activa

563,6

518,9

506,7

493,8

496,6

499,1

Algemene reserve

148,3

142,2

144,2

143,3

141,4

137,8

Bestemmingsreserve publiek

2,0

-

-

-

-

-

Bestemmingsreserve privaat

24,5

24,8

25,0

25,2

25,4

25,7

Bestemmingsfonds publiek

2,1

-

-

-

-

-

Bestemmingsfonds privaat

-

-

-

-

-

-

Minderheidsbelang Derden

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Totaal eigen vermogen

177,1

167,2

169,3

168,7

167,0

163,7

Voorzieningen

21,3

21,4

19,7

17,9

15,9

15,5

Langlopende schulden

76,4

71,3

65,9

60,5

69,6

78,2

Kortlopende schulden

288,8

258,9

251,8

246,6

244,1

241,7

Totaal passiva

563,6

518,9

506,7

493,8

496,6

499,1

  • *Conform begroting/meerjarenraming 2026-2030

Toelichting op de balans

In de hierboven weergegeven balans is het positieve effect van het resultaat van 2025 verwerkt. De ontwikkeling van de balans wordt de komende jaren voornamelijk bepaald door geplande vastgoedinvesteringen, die bij ingebruikname worden geactiveerd. Daarnaast is sprake van reguliere aflossingen op langlopende leningen. Ook de ontwikkeling van de kortlopende schulden, in het bijzonder vooruitontvangen projectfinanciering, heeft invloed op het balanstotaal. 

De solvabiliteit II ((eigen vermogen + voorzieningen)/totaal vermogen) bedraagt ultimo 2025 circa 35% en laat naar verwachting in 2026 een lichte stijging zien. Voor de jaren daarna is het verloop van de solvabiliteit minder eenduidig, mede als gevolg van fluctuaties in de omvang en timing van investeringen en balansposities, waaronder vooruitontvangen projectfinanciering. Uitgaande van de huidige inzichten blijft de solvabiliteit II naar verwachting boven de signaleringswaarde van 30%. De vermogenspositie biedt daarmee ruimte om verantwoord te investeren in noodzakelijke vervanging en uitbreiding van strategische infrastructuur, in overeenstemming met het Instellingsplan.

In 2024 is een voorziening getroffen ten behoeve van de reorganisatie van een van onze faculteiten. Aan deze voorziening is in 2025, in opvolging van de realisatie van het reorganisatieplan, onttrokken, maar de inzichten in de realisatie hebben ook geleid tot vrijval van een deel van de voorziening en een dotatie vanwege nieuwe verwachtingen. Ten behoeve van de reorganisatie bij een van onze andere faculteiten is in 2025 een nieuwe voorziening getroffen. De mutatie in 2025 ten aanzien van genoemde reorganisatievoorzieningen bedraagt per saldo M€ 0,5.

Materiële vaste activa

Materiële vaste activa (M€)
geconsolideerd

Gebouwen en grond

Terrein- ontwikkeling

Inventaris en apparatuur

Overige materiële vaste activa

In uitvoering en vooruit betaald

Niet aan het proces dienstbare mva

Totaal

Aanschafprijs 1-1-2026

a

592,8

53,9

83,0

1,9

8,4

17,1

757,1

Cumulatieve afschrijvingen en waardeverminderingen 1-1-2026

b

-373,7

-22,9

-49,7

-1,6

-

-12,8

-460,8

Boekwaarde 1-1-2026

c=a+b

219,1

31,0

33,3

0,3

8,4

4,3

296,3

Investeringen 2026-2030

d

153,6

-

18,2

-

-

-

171,8

Aanschafwaarde desinvesteringen 2026-2030

e

-

-

-

-

-

-

-

Afschrijvingen 2026-2030

f

-88,2

-

-46,2

-

-

-

-134,4

Afschrijvingen desinvesteringen 2026-2030

g

-

-

-

-

-

-

-

Terugname bijzondere waardevermindering

h=a+d+e

-

-

-

-

-

-

-

Aanschafprijs en terugname waardevermindering 31-12-2030

i=a+d+e+h

746,4

53,9

101,2

1,9

8,4

17,1

928,9

Cumulatieve afschrijvingen en waardeverminderingen 31-12-2030

j=b+f+g

-461,9

-22,9

-95,9

-1,6

0,0

-12,8

-595,1

Boekwaarde 31-12-2030

k=i+j

284,5

31,0

5,3

0,3

8,4

4,3

333,8

Het Jaarplan Lange Termijn Strategische Huisvesting (LTSH) is geïntegreerd in de begroting 2026-2030. In het LTSH wordt voor de jaren 2026 en 2027 een investering van respectievelijk M€ 38 en M€ 42 per jaar voorzien, voor de jaren daarna zal dit bedrag rond M€ 25 op jaarbasis liggen. De totale investering in vastgoedprojecten is voor de periode 2026-2030 begroot op M€ 154. De huisvestingsratio (huisvestingslasten/totale lasten) blijft de komende jaren rond de 10%, onder de doelstelling van 12% van de UT. Geplande investeringen leiden ertoe dat de totale boekwaarde op de balans toeneemt.

Vastgoedinvesteringen

Tot enkele jaren terug was het investeringsprogramma omvangrijker dan nu. In 2023 is de koers aangepast naar aanleiding van teruglopende studentenaantallen en een daling van de beschikbare financiële middelen. Uitbreidingsinvesteringen zijn geschrapt; de focus ligt sindsdien vooral op het onderhouden, renoveren en verduurzamen van bestaande gebouwen en het efficiënte gebruik van de vierkante meters.

De UT beschikt over vastgoed in eigendom en huurt ook vierkante meters. Uitgangspunt in de vastgoedstrategie is onder andere om de eigen vierkante meters zo optimaal mogelijk te benutten. Van huur wordt alleen gebruik gemaakt voor specifieke doeleinden, zoals voor de laboratoria van Fraunhofer, tentamenruimtes in de Therm en voor ruimtegebrek tijdens renovatie van het gebouw Cubicus. Door eigen ruimte optimaal te benutten, wordt de huur van vastgoed van derden zoveel mogelijk beperkt.

De twee grootste projecten de komende jaren zijn de renovatie van de gebouwen Cubicus en Horst. De renovatie van Cubicus wordt in 2026/2027 uitgevoerd en voor de renovatie van de Horst loopt het ontwerptraject. De komende jaren worden ook de installaties in de gebouwen Zuidhorst en Nanolab geüpgraded en verduurzaamd en worden de grootste knelpunten opgelost in de sport- en cultuurvoorzieningen. Ook wordt de omgeving Boulevard/Oude Drienerloweg opgeknapt. Nieuwe uitbreidingsinvesteringen zijn niet gepland.

Bij het opstellen van het jaarplan LTSH worden diverse gremia geconsulteerd en om advies gevraagd. De UR en RvT hebben instemmingsrecht op het jaarplan LTSH , dat uiteindelijk door het CvB, als onderdeel van de begroting, wordt vastgesteld. Bij het opstellen van het jaarplan worden de financiële kengetallen meegenomen in de afweging. De effecten op solvabiliteit, liquiditeit en huisvestingsratio zijn onderdeel van het beoordelingskader. 

Elk project doorloopt daarnaast nog afzonderlijk een eigen goedkeuringstraject, waarbij het finale besluit bij het CvB ligt. Als een project 10% of meer over budget dreigt te gaan, vindt aanvullende besluitvorming plaats. Indien het jaarbudget (de totale uitgaande kasstroom uit het Jaarplan LTSH) door een nieuw te starten investering of door budgetoverschrijding met 10% of meer wordt overschreden, wordt de RvT vooraf om toestemming gevraagd. Hiermee is geborgd dat zowel de RvT als de medezeggenschap tijdig betrokken zijn bij veranderingen die financiële risico’s bevatten. Ook is door deze procesgang geborgd dat op elk moment kan worden bijgestuurd.

Inventaris en apparatuur en grootschalige infrastructuur

Gedurende de planperiode is een investering van M€ 18,2 in inventaris en apparatuur en grootschalige infrastructuur begroot.

Reserves en voorzieningen

Gezien de druk op de financiële ratio’s en de afnemende reserves als gevolg van enkele jaren van negatieve resultaten, zijn in 2024 en 2025 geen extra grote investeringen ten laste van het exploitatieresultaat gedaan. Vanwege deze omstandigheden en met de vooruitblik op de toekomst, waarin de verwachte inkomsten afnemen, hebben 2024 en 2025 in het teken gestaan van ombuigingen. Met het behalen van een positief resultaat in 2025 zijn de reserves aangevuld en de ratio’s verbeterd. We zijn er echter nog niet en daarom blijven we inzetten op continue kostenbeheersing. Daarmee verwachten we te bereiken dat we gedurende de planperiode de ratio’s op peil houden, een gezonde reserve handhaven en ook ruimte kunnen vrijmaken voor strategische investeringen. Investeringen die van cruciaal belang zijn om relevant te blijven voor de maatschappij, om een gezonde organisatie te blijven en om onze doelen uit het Instellingsplan te bereiken. Daarvoor is een publieke bestemmingsreserve gevormd van M€ 2. Daarnaast is er een bestemmingsfonds gevormd van M€ 2,1 ten behoeve van het Employability Fund, conform de afspraak in de cao.

In 2026 en 2027 verwachten we dat een positief resultaat binnen bereik is zonder extra ingrepen. Vanaf 2028 zullen er, zoals het er nu naar uitziet, nog maatregelen moeten worden getroffen om tot een sluitende begroting te komen. Met de input voor de huidige meerjarenraming verwachten we dat dit haalbaar is. We zullen in de loop van 2026 scherp kijken naar de structurele effecten van het jaarresultaat 2025. Als we te maken krijgen met tegenvallende scenario’s, worden de uitdagingen groter. Deze veranderen de ambities om vanaf 2027 een sluitende begroting te hebben niet, maar verhogen de toekomstige opgave mogelijk wel. In de meerjarencijfers is nog geen rekening gehouden met eventuele uitkomsten van het nieuwe Regeerakkoord. Daarom werken we met scenario’s om onszelf voor te bereiden en de benodigde wendbaarheid aan de dag te kunnen leggen. Deze scenario's werken we uit in de Kaderbrief en nemen eenheden mee in het samenstellen van de eenheidsbegroting. 

In 2024 is aan de voorzieningen een bedrag van M€ 7 toegevoegd ten behoeve van de reorganisatie, waarvan het plan reeds gereed en goedgekeurd was in 2024. In 2025 is deze reorganisatie grotendeels ten uitvoer gebracht en is een voorziening getroffen ten behoeve van een nieuwe reorganisatie. Vrijval, dotatie en onttrekking deed het saldo voorzieningen in 2025 met M€ 0,5 afnemen.